vijzel.jpg

Vijzel van Pieter (I) Van den Ghein

Vijzel van Pieter (I) Van den Ghein

Brons (gegoten), 1532 (inv. nr. Met0156)

 

Een vijzel … op het eerste gezicht een alledaags, niet sterk tot de verbeelding sprekend voorwerp. Onze keuze uit de collectie werd bijna vijf eeuwen geleden gegoten door niemand minder dan Pieter (I) Van den Ghein, een telg uit het beroemd geslacht van Mechelse klokkengieters. Verschillende leden van dit geslacht zullen in de loop van twee eeuwen – van het begin van de zestiende tot het einde van de zeventiende eeuw – bijdragen tot de grote bloei van Mechelen als centrum van de bronsindustrie (zie ook het Kanon van “Meester Merten”). Ook de families Waghevens, de Clerck en Cauthals waren vermaard om hun gietkunsten. Musea & Erfgoed Mechelen telt 40 vijzels van verschillende bronsgieters in haar collectie

 

vijzel

 

Vijzels zijn onlosmakelijk verbonden met het beroep van apotheker. Voordat de vijzel in de middeleeuwse apotheek werd geïntroduceerd, werd hij in het huishouden gebruikt voor het fijnstampen van bijvoorbeeld kruiden. Wanneer aan het einde van de twaalfde eeuw de eerste apotheken in de steden verschenen, kwam er vraag naar vijzels van groot formaat. Op basis van geneeskrachtige planten bereidde de apotheker toen zelf de medicijnen. Om de ingrediënten fijn te malen tot poeder maakte hij gebruik van een grote vijzel, die in principe bestond uit een beker – in een hard materiaal, bij voorkeur brons maar ook koper was een geschikt metaal –met bijbehorende stamper. Eeuwenlang was de kruidengeneeskunde de voornaamste behandelingsmethode bij ziekte of pijn. Toen grondige kennis van geneeskrachtige kruiden dreigde verloren te gaan en onwetendheid bij het behandelen van ziekten meer dan eens tot fatale gevolgen leidde, publiceerde de Mechelse stadsgeneesheer Rembert Dodoens in 1554 het beroemde Cruijdeboeck. In het Stadsarchief van Mechelen kan je nog steeds verschillende edities van dit werk raadplegen.

 

Jacobus (I) De Clerck Tot op het einde van de zeventiende eeuw werden de meeste vijzels gegoten uit dezelfde ‘spijs’ (brons) als de klokken: de vijzel gold toen immers als een bijproduct van de klokkengieterij. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze apothekersattributen de vorm aannamen van een omgekeerde klok. Naast hun vorm vertonen de vijzels in de collectie van Musea & Erfgoed – ongeacht hun verschillende afmetingen – steeds dezelfde kenmerken. Meestal zijn ze versierd met friezen in renaissancestijl waarbij de Latijnse inscripties opgesteld zijn in gotische letters. Achter de naam van de gieter komt het jaartal waarin de vijzel werd vervaardigd. In veel gevallen werd ook het Mechelse wapenschild aangebracht. Met een hoogte van 30,5 cm en een diameter van 38,5 cm, is de vijzel van Jacobus (I) De Clerck uit 1663 de grootste uit de collectie (inv. nr. Met0194). De kleinste – slechts 6,8 cm hoog – is die van Pieter (II) Van den Ghein; hij dateert uit 1573, heeft geen fries, en is gegoten uit geel koper (inv. nr. Met0165).

 

Pieter (II) Van den GheinDe maker van de hier afgebeelde vijzel, de productieve bronsgieter Pieter (I) Van den Ghein, was een zoon van Willem Van den Ghein. Willem was oorspronkelijk afkomstig uit Goirle (Nederland) en werd op 7 juli 1506 als poorter te Mechelen ingeschreven. Hij was de eerste van een beroemde reeks klokkengieters van die naam, die tot het einde van de zeventiende eeuw te Mechelen werkzaam waren. Pieter (I) was broer van Jan (I) Van den Ghein en vader van Jan (II) en Pieter (II). De oudst bekende door Pieter (I) gegoten klok dateert uit 1528. Hij had zijn atelier in de Hoogstraat, mogelijk in het huis ‘De Zwaan’. Door hem gemaakte klokken bevinden zich in Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Zweden, Nederland, Engeland en Spanje. Pieter overleed te Mechelen op 14 maart 1561 in het huis ‘De Gulden Leeuw’ in de Oude Brusselsestraat.

 

Het door Pieter (I) Van den Ghein gegoten exemplaar uit 1532 is een van de zeldzame Mechelse vijzels die voorzien is van twee handvaten, in de vorm van wolvenkoppen. Hij is 12 cm hoog, heeft een diameter van 16 cm en weegt 4,3 kg. Op de middenfries staat een herhalend motief van een gevleugeld engelkopje met aan weerszijden griffioenen. Op de kraag van de vijzel staat de volgende inscriptie: PETER VANDEN GHEIN ME FECIT MCCCCC XXX II. Met zijn elegante vorm en fraaie afwerking is deze bronzen vijzel een stille getuige van het vakmanschap van de zestiende-eeuwse bronsgieter. Allesbehalve stil zijn Van den Ghein’s klokken, die nog steeds weerklinken in tal van Europese klokkentorens.

 


 

Meer lezen?

COSAERT, K., De gietindustrie in Mechelen: Een economische en culturele situering tot de 18e eeuw (www.torenenbeiaard.be/De%20gietindustrie%20te%20Mechelen.pdf).

VAN DEN HEUVEL, R. red., Mechelen en de Farmacie: Catalogus Tentoonstelling 50e Verjaring van de Beroepsvereniging der Apothekers van Mechelen, Mechelen, 1962.

VAN DOORSLAER, G., ‘L’ancienne industrie du cuivre à Malines. III. La fonderie de cloches’, Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 22 (1912),171-356.

VAN DOORSLAER, G., ‘Les Van den Ghein, fondeurs de cloches, canons, sonnettes et mortiers à Malines’, Annales de l’Académie Royale d’Archéologie de Belgique, 62 (1910), 463-671.